Skip to content

#114 Over ‘honderdvijftig’

2 juni 2026

Al wat langer had ik de gedachte om mijn stukje #150 te wijden aan de gelijknamige dagelijkse berichtjes op de voorpagina van mijn papieren ochtendkrant. ‘Honderdvijftig’ staat voor het maximale aantal woorden dat de schrijver van dienst daar mag inzetten voor zijn – ja, toch doe ik het – of haar bespiegeling van het moment.
Ik vind daar nog wel eens wat van en meer dan eens moet ik de verleiding weerstaan om erop te reageren. Nee jongen, verzin gewoon zelf maar wat, is steevast mijn innerlijke repliek.

Hoe dan ook, op de wandeling terug van de brievenbus naar de ontbijttafel heb ik die column doorgaans al gescand om ‘m onder het genot van de eerste thee desgewenst nog een keer wat rustiger tot me te nemen. Het stukje van vanochtend trof me in het hart. Nu moet het er toch gewoon van komen, dit stukje verdient het niet om tot mijn eigen 150ste hier onbesproken te blijven.

Het was van Paulien Cornelisse, meestal al puntig en/of grappig, in elk geval verrassend. Aangenaam doeltreffend in haar woordgebruik. En in mijn beleving nooit zuur of zeurderig. Kortom, een stukjesschrijfster naar m’n hart, one of my favorites.
By the way: da’s weer helemaal mode tegenwoordig, om wat je gewoon in het Nederlands kan zeggen in flarden slordig Engels te doen. Wangedrochten van zinnen levert dat op. Zo would-be. Maar back to Paulien.

Wat een mooi stuk vanochtend, zo herkenbaar, zo relativerend, zo nuchter, zo bewonderenswaardig. Dat wilde ik wilde ik wel van de daken schreeuwen. Dus maar in dit 114ste stukje.
Paulien, ik zie nu al weer uit naar je volgende.

Comments (0)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top