skip to Main Content

De Kolossen

# 81 mei 2021

Henrik Ibsen baseerde het Peer Gynt-stuk op zijn onderzoek naar Noorse volksverhalen. Pas tijdens de twee jaar dat hij in Rome verbleef, werkte hij zijn aantekeningen uit tot het uiteindelijke gedicht. Het is onduidelijk of hij vanuit Italië nog verder was doorgereisd naar het zuiden, maar opmerkelijk zijn wel zijn beschrijvingen over Noord-Afrika. Het doet vermoeden dat een reis van Marokko naar Egypte – of omgekeerd – hem geïnspireerd heeft voor een aantal scènes op die locaties. Maar evengoed kan hij zich in Rome op afstand geïnformeerd hebben over de Egyptische oudheid.
Zijn verhaal over de zingende zuil van Memnon pleit voor dat laatste.

Op de westoever van de Nijl, in de buurt van Luxor, staan twee enorme kolossen, de zitbeelden van Memnon. Beide beelden, zo’n achttien meter hoog, zijn uit één stuk kwartsiet gehouwen. Het is niet zeker waar dat gesteente vandaan kwam, in elk geval was het ter plaatse niet voor handen. De beelden waren geposteerd bij de ingang van de (intussen verdwenen) dodentempel van farao Amenhotep III.
Aanvankelijk werden de kolossen toegeschreven aan de mythische koning Memnon, uit de Ilias van Homerus. Voor Grieken en Romeinen waren het destijds dan ook al toeristische attracties.
In 27 v.Chr. raakte het noordelijke beeld door een aardbeving beschadigd. Daardoor begon het bij zonsopgang een vaag, fluitend geluid te veroorzaken. Reizigers hoorden er een trieste zang in, en gaandeweg ontstonden de meest kleurrijke legenden over ‘zingende steen’. Het zou bijvoorbeeld het gegil van de vermoorde Memnon zijn. Zo kregen de kolossen de naam van deze mythische figuur.

Intussen neemt men aan dat er een natuurlijke oorzaak was voor de fluitende steen. Door het verschil tussen de koude nacht en de warme dag sprongen er regelmatig steendeeltjes los op de breukplaats. De ochtendwind langs de spleten veroorzaakte het fluitende geluid. Keizer Septimius Severus (193-211) liet de beelden restaureren, waardoor er een einde kwam aan het gegil. De hoofdpersoon van Ibsen kon in de tweede helft van de negentiende eeuw het gefluit of gezang dus al lang niet meer gehoord hebben. En misschien wat flauw: het was geen zuil, het waren twee beelden. Maar het is zeker een voorbeeld van de rijke fantasie en de brede belangstelling waarmee Ibsen zijn verhaal heeft ingekleurd.

Back To Top